Bepaalde benaderingen leiden al vroeg tot een totaal van negentien personen. De optelling van negen zonen, negen zussen en één vader levert dat aantal op. De zinsbouw bevat de bron van de veelgemaakte fout.
Het raadsel stelt dat een man negen zonen heeft. Er staat dat elke zoon een zus heeft. De formulering specificeert niet dat het om aparte zussen voor elke zoon gaat.
Alle negen zonen hebben mogelijk één zus gemeen. Die mogelijkheid is cruciaal.
Een zorgvuldige analyse volgt.
De eerste groep bestaat uit negen zonen.
Eén zus vormt het broertje of zusje dat de zonen samen hebben.
Eén vader is de ouder van de kinderen.
Het totaal wordt negen plus één plus één. De som is elf personen.
De oplossing komt naar voren door de gegeven woorden nauwkeurig te bestuderen.
Veel mensen komen tot een onjuist totaal vanwege de manier waarop de zin is geformuleerd. De zin “iedere zoon heeft een zus” roept het beeld op van meerdere verschillende zussen. De aanname van uniciteit ontstaat automatisch.
Dit raadsel illustreert het belang van zorgvuldige aandacht voor taal. De oefening dient als een maatstaf voor leesbegrip. Het meet het vermogen om logische volgordes te herkennen. Het meet het vermogen om automatische aannames te weerstaan.
De ervaring wijst op een bredere observatie die van toepassing is in dagelijkse situaties. Wat op het eerste gezicht lijkt, vereist wellicht nader onderzoek.
Een stapsgewijze aanpak leidt tot het juiste totaal.
Begin met het tellen van de zonen. Dat zijn er negen.