Ingrid is overtuigd dat werk de ruggengraat van de samenleving is. Het gaat niet alleen om geld, maar ook om eigenwaarde en ritme. Toch merkt ze dat dit ideaal steeds meer onder druk komt te staan. “We roepen wel dat werken loont, maar zo voelt het niet in de praktijk.” Hogere zorgpremies, duurdere boodschappen en meer belasting vreten haar koopkracht op. “Ik heb niet het idee dat ik vooruit ga; het lijkt juist of ik terugval.”
Solidair, maar met grenzen
Solidariteit vindt ze belangrijk, en ze snapt dat er vangnetten nodig zijn voor wie niet kan werken. Ziekte, pech en tijdelijke tegenslag horen nou eenmaal bij het leven. Maar volgens Ingrid is het systeem doorgeslagen. “De prikkel om weer mee te doen is zoek.” Ze mist maatwerk en stevige controle. “Wie echt niet kán werken, moet steun krijgen; wie wél kan maar niet wil, mag daarop worden aangesproken.”
De stille woede van de middengroep
Ingrid merkt dat ze niet de enige is. Op kantoor en in haar vriendenkring hoort ze hetzelfde gemor. Geen schreeuwers of demonstranten, maar mensen die steeds cynischer raken. “Wij trekken de portemonnee, maar komen voor niets in aanmerking.” Politiek voelt ze zich amper gezien. “Het debat gaat steeds over de top of de bodem, bijna nooit over ons.”